Laat mij naar jou toe komen
Wanneer ons verlangen om een band op te bouwen de hond soms verhindert om zelf de eerste stap te zetten.

Hij is pas aangekomen.
Sinds enkele dagen, misschien enkele weken.
We hebben een comfortabele mand klaargezet, lekkere snoepjes gekocht en een mooi tuigje gekozen. We praten zacht tegen hem. We willen hem zo graag laten voelen dat hij hier niets te vrezen heeft.
Maar hij blijft op afstand.
Dus hurken we neer.We steken onze hand uit.We roepen hem zachtjes.We bieden hem een snoepje aan.En wanneer hij dichtbij genoeg komt, proberen we hem misschien even te aaien.
Als hij terugdeinst, proberen we het later opnieuw.
Met de beste bedoelingen.
Want voor ons schept contact een band.
Maar voor hem?
Wanneer onze goede bedoelingen mensentaal spreken
Wij mensen zijn erg gericht op lichamelijk contact.
We nemen iemand in onze armen om te troosten. We leggen een hand op een schouder om gerust te stellen. We zoeken de nabijheid op van wie we graag zien.
Het is dus heel natuurlijk om hetzelfde te doen bij een hond die onzeker of bang lijkt.
Hij is bang?We willen hem geruststellen.
Hij neemt afstand?We willen hem laten zien dat we vriendelijk zijn.
Hij twijfelt om dichterbij te komen?We moedigen hem aan.
Dat is heel menselijk.
En precies daar kan antropomorfisme ons parten spelen.
We bekijken de situatie door onze eigen manier van communiceren en liefhebben, zonder ons altijd af te vragen hoe de hond diezelfde situatie ervaart.
Bekijk diezelfde scène nu eens vanuit zijn standpunt.
Hij gaat achteruit.
Jij komt dichterbij.
Hij draait zijn hoofd weg.
Jouw hand blijft naar hem toe gaan.
Hij neemt opnieuw afstand.
Jij volgt hem rustig, juist omdat je hem probeert duidelijk te maken dat hij helemaal niet bang hoeft te zijn.
Voor jou betekent dit:
‘Je mag mij vertrouwen.’
Voor hem zou de boodschap kunnen zijn:
‘Wanneer ik om afstand vraag, blijft deze mens dichterbij komen.’
Twee totaal verschillende boodschappen kruisen elkaar.
Wat als we even zouden stoppen met zijn vertrouwen te proberen winnen?
Vertrouwen is niet iets wat je van een hond kunt krijgen omdat je er hard genoeg je best voor doet.
Het groeit.
En vooral: het groeit binnen een relatie.
Dat betekent dat we iets moeten aanvaarden wat voor ons soms moeilijk is: een hond mag zeggen nu niet.
Nu geen aanraking.
Nu geen nabijheid.
Nu geen uitgestoken hand.
Misschien morgen.
Misschien volgende week.
En misschien heeft hij daarvoor eerst gewoon behoefte om naar ons te kijken en ons te leren kennen.
Laat de hond het initiatief nemen
Er is een enorm verschil tussen een hond die onze toenadering ondergaat en een hond die zelf kiest om de afstand te verkleinen.
Wanneer wij voortdurend naar hem toe gaan, kunnen we hem onbedoeld verhinderen om een heel belangrijke ervaring op te doen:
‘Ik wil eens naar die mens toe.’
In plaats daarvan is hij bezig met een heel andere vraag:
‘Wat moet ik doen wanneer die mens naar mij toe komt?’
Soms begint een relatie daarom net door wat ruimte tussen ons te laten.
Ruimte waarin de hond zelf kan beslissen.
Dichterbij komen.
Stoppen.
Observeren.
Weer weggaan.
En opnieuw terugkomen.
Zonder dat elke kleine beweging in onze richting onmiddellijk tot interactie leidt.
Want we vergeten vaak iets belangrijks:
Een hond komt soms dichterbij om informatie te verzamelen, niet om contact te vragen.
Een hond die aan je komt snuffelen, vraagt niet noodzakelijk om geaaid te worden.
Een hond die een snoepje uit je hand neemt evenmin.
Een hond die op een meter afstand van je gaat liggen, nodigt je niet noodzakelijk uit om die afstand nog kleiner te maken.
Zelfs wanneer hij dichterbij komt, kan hij gewoon een mogelijkheid aan het onderzoeken zijn.
Als elk initiatief van zijn kant eindigt met een hand die naar hem toe komt, kan hij iets heel anders leren dan wat wij hem wilden leren:
naar een mens toe gaan betekent de controle over de afstand verliezen.
De piepkleine vooruitgangen die we soms niet zien
Wij wachten vaak op duidelijke signalen.
Een kwispelende staart.Een hond die om knuffels komt vragen.Een hoofd op onze schoot.Een hond die ons overal volgt.
Omdat wij zulke gedragingen gemakkelijk herkennen als tekenen van genegenheid.
Maar bij een onzekere hond kunnen de eerste tekenen van vertrouwen veel subtieler zijn.
Vandaag blijft hij in dezelfde kamer wanneer je binnenkomt.
Morgen valt hij in slaap terwijl jij aanwezig bent.
Enkele dagen later loopt hij door de tuin zonder voortdurend te controleren waar jij bent.
Dan komt hij even aan je schoen snuffelen.
Hij blijft drie seconden.
En loopt weer weg.
Voor ons: drie seconden.
Voor hem misschien een berg die hij net beklommen heeft.
Maar dan moeten we hem wel de kans geven om die berg zelf te beklimmen.
Niets opdringen betekent niet niets doen
Dat is waarschijnlijk een van de belangrijkste misverstanden.
Het tempo van een hond respecteren betekent niet dat we drie maanden in een hoek moeten gaan zitten wachten.
We kunnen zijn omgeving aanpassen.
Ons gedrag voorspelbaar maken.
Voorkomen dat we hem onbedoeld insluiten.
Zijn comfortabele afstand leren herkennen.
Aangename ervaringen creëren zonder lichamelijk contact als tegenprestatie te verwachten.
Hem stap voor stap dingen leren die hij nodig zal hebben in zijn nieuwe leven.
En uiteraard ingrijpen wanneer zijn veiligheid of gezondheid dat noodzakelijk maakt.
Maar tussen niets doen en alles proberen te sturen ligt een enorm gebied.
Daar ontstaat de relatie.
Meerdere dagen/meerdere weken
Meerdere dagen of weken na een adoptie horen we soms:
‘Hij laat zich nog altijd niet benaderen.’
Dat nog altijd verdient op zich al wat aandacht.
Twee weken nadat een hond van land, huis, geuren, geluiden, ritme, mensen en soms ook soortgenoten is veranderd, weten wij dat hij thuisgekomen is.
Hij weet dat misschien nog niet.
Wij weten dat dit huis veilig is.
Hij moet dat ontdekken.
Wij weten dat we hem geen kwaad willen doen.
Hij kan dat alleen leren door ons gedrag te observeren en te ervaren.
En misschien begint precies daar onze verantwoordelijkheid.
Niet door hem te vragen ons te vertrouwen.
Maar door ons zo te gedragen dat hij op een dag zelf kan kiezen om dat vertrouwen te geven.
Dus wanneer die hond nog steeds enkele meters bij ons vandaan blijft, kunnen we misschien een andere vraag stellen.
In plaats van:
‘Waarom komt hij niet naar mij toe?’
kunnen we ons afvragen:
‘Geef ik hem werkelijk de mogelijkheid om zelf te kiezen naar mij toe te komen?’
Soms begint van een hond houden met iets wat voor ons mensen verrassend moeilijk kan zijn:
hem naar ons toe laten komen.





Opmerkingen